Japanse borduurtechnieken

stitch along zeshoek

Zoals ik al had gedacht, vorige week was het te druk om te schrijven. Beate is geweest om les te geven, 6 dagen lang. Alles op 1,5 m., maar het ging goed. Alleen aan tafel waren minder gesprekken, omdat we zover uit elkaar zaten. Van een paar dames heb ik de zeshoek gezien, erg leuk, allemaal verschillend uitgevoerd.
Met Beate heb ik mijn werk besproken en er kwamen wat puntjes uit voor verbetering. Ik zal ze in de volgende aflevering behandelen, het is een leerproces en daar heeft iedereen wat aan.

As I thought, last week I was too busy to write. Beate was here to teach for 6 days. Everything at 1,5 m., but it all went well. Only at the dinnertable there were fewer conversations, because we sat so far apart. A few of the ladies brought their stitched hexagon, all very nice, all stitched differently.
I discussed my work with Beate and some points came up for improvement. I will cover them in the next episode, it is a learning process and it benefits everyone.

En dan nu het laatste stukje, de afwerking. Ik heb hier een karayori voor gebruikt. Deze maak je door de ondertwist zacht te houden en de overtwist zo strak mogelijk te doen. Dan plak je de draad op een glas, maakt hem nat en laat hem een nacht drogen. Het mooiste is als je de karayori voor het verwerken op een koma zet, zodat je de draad strak kan houden. Heb je geen koma, dan kun je de draad misschien vastplakken aan je raam.

And now the last part, the finishing. I used a karayori for this. A karayori is made by keeping your undertwist soft and doing the overtwist as tightly as possible. Use cellotape to stick the thread on a glass, wet it and let it dry overnight. The best thing is if you put your karayori on a koma. If you don’t have a koma, maybe you can tape the karayori on your frame

In het schema staat 3/1 + 2 goud #1 TT. Ik heb 2 donkergroen, 1 lichtgroen ( in 2 gedeeld) en 1 lengte goud #1 dubbel om de priem gedaan.
Geef je zijde eerst een ondertwist, voordat je je goud mee twist, om te voorkomen dat je goud wegzakt in de zijde. Maak niet een te sterke ondertwist, anders wordt je karayori niet glad.
De overtwist doe je zo strak mogelijk, maar de draad mag niet gaan kronkelen. Houd de draad strak en plak hem vast op een glas, natmaken en laten drogen. Het is handig als je meerdere karayori maakt. Ik heb alle stappen op de foto gezet.

In the boxchart it says 3/1 + 2 gold #1 TT. I used 2 dark green, 1 light green (divided in 2) and a length gold #1 doubled around the awl.
Give your silk a bit of undertwist before you twist the gold into the thread, to prevent your gold from disappearing in your silk. Don’t make your undertwist too strong, or your karayori won’t be smooth. You do the overtwist as tightly as possible, but your thread should not crinkle. Keep the thread tight and stick it on a glass, wet it and let it dry. It is usefull to make multiple karayori. I made photo’s of every step.


 

 

 

 

 

 

Nu kunnen we de draad gaan verwerken. De karayori wordt per 2 draden samen vastgezet met een dunne couching draad (1/2 T), elke 2 mm.. In mijn werk heb ik een derde draad nodig, omdat ik teveel ruimte heb tussen de verschillende motieven. Deze derde draad komt er langs als de eerste 2 vastzitten, maar je steken gaan altijd over 2 draden.
De eerst lijn kun je van zijkant naar zijkant leggen, zonder onderbreking, maar bij de volgende lijnen moet je de karayori naar achter trekken of steken op het kruispunt.

Now we can start with the karayori. You need 2 karayori, they will be stitched together. Use a couching thread (1/2T) for this. You put a stitch in at every 2 mm.. In my work I need a third karayori, because I have too much space between the different motifs. This third karayori will come alongside the first 2, but will be stitched over 2 karayori.
The first line can be put in from side to side, without interruption, but with the following lines you have to pull the karayori to the back at the intersection.


 

 

 

 

 

 

Voor de zijkanten trek je de draden van punt naar punt om ze mooi recht te krijgen. Zet de uiteinden vast, ga dan naar het midden. Zoek daarna steeds het midden tussen de steken op, totdat de steekjes ongeveer 2 mm. uit elkaar liggen.

For the sidelines you pull the karayori’s from point to point to get them straight. Stitch the outer points, then go to the middle. Find the middle between the stitches again, until the stitches are about 2 mm. apart.

 

 

 

 

 

 

Ook bij de zijkanten van de tralie en het vlas heb ik te veel ruimte. Daarom heb ik daar nog 2 karayori aan de binnenkant verwerkt.

At the sidelines of the lattice and the flaxleave I have too much space. That is why I put in 2 more karayori on the inside of the design.

 

 

 

 

 

 

 

Dit is het hele ontwerp, ik heb alles zo goed mogelijk beschreven, zoals ik het heb gedaan. De punten voor verbetering die ik met Beate heb besproken zal ik volgende week in een blog zetten.

This is the design completed. I tried to describe as good as possible my way of stitching this. The points for improvement I discussed with Beate will be in a blogpost next week.

Veel plezier en succes/ Have fun and succes, Jessica

Alweer de vijfde uitleg, de tijd vliegt. Dit is het laatste vlakje van de vijf, volgende keer leg ik uit hoe ik de afwerking heb gedaan.

Voor de ondergrond heb ik een getwiste draad genomen en omdat ik alleen groen te hard vond heb ik er een beetje oranje door getwist. De twist is 2,5/1, dat betekent dat je aan beide kanten 1 volle draad groen hebt en ¼ oranje draad.

Begin in het midden van het vlak en leg je draad parallel aan de onderkant van het vlakje. Borduur eerst de ene helft en dan de andere. Je hebt geen short-stitch-holding nodig, het vlasblad (flaxleave) motief houdt alles op zijn plaats. Ook hier heb ik een lijn gespannen 1 mm. van de randen, omdat ik dacht dat ik de ruimte nodig had, maar als je net aan de binnenkant van de lijn borduurt, hou je voldoende ruimte voor je sierdraad.

This is the fifth explanation already, time flies. It is the last part of the five, next time I’ll explain how I did the finish.

For the foundation I used a twisted thread and because I thought the green on it’s own was too harsh, I used a bit of orange as well. The twist is 2,5/1, which means that on both sides you have 1 full green thread and a ¼ thread of the orange.

Start in the middle and place your thread parallel to the bottom line. Stitch one half first and then the other. For this foundation you don’t need short-stitch-holding, the flaxleave motif will hold it in place. I stitched a guideline first, 1mm. from the sides, because I thought I needed the space. But if you stitch just inside the lines, I think you will have enough room for your finishing thread.

 

 

 

 

 

 

Nu kunnen we beginnen met de flaxleave. Ik heb dit gedaan met oranje, 1/1 T. Je mag deze draad stevig twisten.

Alle lijnen staan 7 mm. uit elkaar. De eerste rij lijnen staan vertikaal op de ondergrond, in een hoek van 90°.

Now we can start with the flaxleave. I stitched this with orange, 1/1 T. You can give it a tight twist.

All lines are 7 mm. apart. The first lines are at a 90° angle to the foundation.

 

 

 

 

 

 

De tweede en derde rij lijnen komen in een hoek van 30° Gebruik hiervoor je driehoek met de scherpe hoek. Leg eerst één naar links en daarna één naar rechts, het snijpunt komt op een verticale lijn. Vul het vlak verder in, ook weer 7 mm. uit elkaar.

The second and third layer of lines are in a 30° angle. Use your triangle with the sharp corner. Put one line in to the left and than one to the right making sure they cross each other on the vertical line. Fill in the rest, again 7 mm. apart.

 

 

 

 

 

 

Nu ga je in de richting van de ondergrond alle kruisingen vastzetten, met oranje, 1/2 T. ( Ik heb het zelf met een te dikke draad gedaan)

Now we will tie down the intersections with orange, 1/2 T. ( My thread was too thick)

 

 

 

 

 

 

De ondergrond bestaat nu uit driehoekjes en is klaar voor de rest van het motief. Kijk goed naar de foto’s. Kom bij A boven, ga bij B naar beneden en kom dan bij C weer boven. De lus die tussen A en B is ontstaan moet worden vastgezet. Daarvoor ga je met je naald over de lus en steek je in het midden van het driehoekje naar beneden. Als je nu voorzichtig aantrekt ontstaan er 3 lijnen in je driehoek. Op deze manier vul je alle driehoekjes.

The foundation is filled with little triangles and is ready for the rest of the motif. Have a good look at the photos. Come up at point A, go down at point B and come up again at piont C. The loop that you’ll find between A and B has to be tied down. For this you take your needle over the loop and go down in the middle of the triangle. Pull carefully and 3 lines will appear in the triangle. Fill all the triangles this way.

 

 

 

 

 

 

Zoals je misschien ziet heb ik teveel ruimte overgelaten aan de buitenlijn. Zorg dat je de ondergrond ver genoeg door borduurt, 1/2 mm. van de rand is genoeg.

Maybe you can see that I have left too much space at the outside line. Make sure you stitch your foundation far enough, 1/2 mm. from the edge is enough.

Ik weet niet of het me lukt om volgende week de laatste uitleg te posten. Komende week is Beate 6 dagen op bezoek voor lessen in Japans borduren.

I don’t know if I can post the last explanation next week. The coming week Beate will be here for 6 days to teach Japanese embroidery.

Veel plezier, have fun,

Jessica

Hoe is het, lukt het borduren? Is alles duidelijk? Vragen kun je altijd stellen onderaan het bericht. Klik dan op het blokje comment.

How are you doing? Is everything clear? You can always leave your questions at the end of this message. Just klick on the comment button.

 

Het volgende stukje van het ontwerp dat ik heb geborduurd is de kersenbloesem. Voor de basis heb ik 3/1 T genomen en naald nr. 9. Maak voor een bloem altijd een soft twist. Een steviger twist is voor bladeren en takken ed.
Begin weer bij het bloemetje op de voorgrond met het grootste blad (het hoofd). De eerst steek komt in het midden van het blad. Werk vanuit het midden naar links en daarna naar rechts.

The next part of the design that I stitched is the cherry blossom. For the foundation I used 3/1 T and needle nr 9. Use a soft twist if you stitch a flower. A stronger twist is for leaves and branches etc..
Start with the foreground flower again and with it’s “head”, this is the largest petal. Start with the first stitch in the middle of the petal and work to the left first and than to the right.

 

 

 

 

 

 

Nu alle bloemen er op zitten gaan we de lange steken van de blaadjes vastmaken met short-stitch-holding. Hiermee voorkom je ook dat je borduurwerk in de ondergrond zakt. Ik heb een voorbeeld van deze techniek geborduurd op de witte kers met oranje steken. Uiteraard is het de bedoeling dat je deze steken niet ziet.
Maak steken van rechts boven naar links onder van ongeveer 0,8 tot 1 cm lang. Kom in steek A boven, sla steek B over en ga in steek C weer naar beneden. Kom dan weer boven aan de rechterkant van steek A enz.  Werk van links naar rechts. Zoals je ziet op de foto hoef je niet alle steken van de ondergrond vast te zetten.

Now that we have stitched all the flowers we will fasten the longer stitches of the petals with short-stitch-holding. This will also prevent your embroidery from sinking into the foundation. I’ve stitched an example of this techniek on the white cherry with orange stitches. Of course, you shouldn’t see these stitches.
Stitch from top right to bottom left, making stitches of about 0,8 to 1 cm long. Come up in stitch A, skip B and go down in stitch C. Then come up on the right side of stitch A , etc. Work from left to right. As you can see in the photo, you do not have to secure all the stitches of the foundation.

 

 

 

 

 

 

De meeldraden worden geborduurd met #1 goud, half hitch, net als bij de pruimenbloesem. Je meeldraden moeten allemaal dezelfde lengte hebben en je borduurt er 16 stuks. Begin weer in het grootste blad. Maak een +, daarna een x en borduur dan tussen alle meeldraden nog één draad. Kom uiteindelijk in het midden boven en zet de draden met 1 steekje vast terwijl je ze iets uit het midden naar beneden trekt.

Om het mezelf makkelijker te maken heb ik een rondje van 18 mm. uit papier gehaald. Het papier leg ik met magneten op mijn werk vast. Zo krijg ik mijn meeldraden allemaal even lang.

The stamen are stitched with #1 gold half hitch. Your stamen must be all the same length and you stitch 16 of them. Start in the largest petal again. Stitch a + and an x and than between all the stamen another one. Your needle comes up in the middle and you secure your stamen with 1 stitch, while pulling your stamen a bit out of the centre.

To make it easier for myself I’ve cut out a circle of 18 mm. out of a piece of paper. I’ve put this piece of paper on my stitching and I’ve secured them with magnets. This way I’ll get all my stamen the same length.

 

 

 

 

 

 

Nu gaan we de meeldraden vastleggen met rood couchingdraad. De eerste meeldraad in het grootste blad mag gewoon recht, de rest van de meeldraden leg je iets rond, ze buigen weg van de eerste meeldraad. Begin altijd in het midden van een meeldraad en verdeel de steken gelijkmatig.

Now we will tie down the stamen with red couchingthread. The first stamen in the largest petal can be straight, but the other stamen get a light curve, they curve away from the first stamen. Always start in the middle of a stamen and space your stitches evenly.

 

 

 

 

 

 

Als laatste borduren we de stuifmeelkorrels. Dit kunnen knoopjes zijn, 1 aan het eind van elke meeldraad, of twee steekjes. Ik heb gekozen voor twee steekjes. Deze steekjes moeten allemaal even groot zijn en in een mooie cirkel liggen. Om de cirkel te krijgen heb ik een papieren cirkel genomen van 18 mm. doorsnee. Deze heb ik op mijn meeldraden gelegd, het wordt op de plaats gehouden door een magneetje. Gebruik 2/1 T en maak een steekje van 2 tot 3 mm aan het uiteinde van een meeldraad. Ga eerst één keer rond en daarna pas de tweede keer.

Finally we stitch the pollen. These can be knots, 1 at the end of each stamen, or two stitches. I’ve chosen the two stitches. These stitches should all be the same size and should be in a circle. To get the circle I took an 18 mm. diameter paper circle. I’ve put this circle on my stamen, it is held in place by a magnet. Use 2/1 T and make a 2 to 3 mm. stitch at the end of each stamen. Go around once and then the second time.

 

 

 

 

 

 

Ik wens iedereen weer heel veel succes.

I wish everyone a lot of succes.

Jessica


We zijn al weer toe aan het derde deel van de stitch-along en dit wordt het vlak met de oranje basis en daarover een tralie.
Ik ben dit blok begonnen met een lijn te borduren 1 mm. van de geprinte lijn, in de veronderstelling dat ik die ruimte nodig had. Achteraf bleek dit te veel te zijn. Ik denk dat als je de steken net aan de binnenkant van de lijn plaatst, je ruimte genoeg overhoud voor de sierdraad. Je werkt met 2/1 F en naald nr. 8.

We are ready to start the third part of the stitch-along and this will be the part with the orange foundation and the lattice holding.
I started this part with a stitched line, 1 mm. from the printed line, thinking that I needed this space later. In hind site this was too much space. I think that if you put your stitches just inside the printed line, you will have ampple space for your decorative thread. Use 2/1 F and needle nr. 8.

De eerste steek komt midden in het vlak, in de richting waarin je wilt borduren. Ik heb gekozen te borduren in dezelfde richting als de buitenlijn. Na de eerste lijn vul je eerst de ene helft van het vlak op en daarna de andere helft. Ik borduur altijd eerst de linkerkant, zodat ik niet met mijn hand over het al geborduurde vlak ga bij de tweede kant. Borduur niet te dicht, maar wel aan een gesloten. Laat aan de buitenlijn minder ruimte dan ik heb gedaan. Al die ruimte had ik niet nodig, ik heb dit zelfs nog moeten opvullen met een extra sierdraad.

The first stitch will be in the middle, in the direction that you want to stitch. I chose to stitch in the same direction as the outside line. After the first stitch you fill in one half of the space and then the other half. In always stitch the lefthand side first, so I don’t have to go over my stitching when I do the other half. Don’t put your stitches too close together, but make sure your threads close the space. Do not leave as much space at he outside line as I did. All this space was not needed, I had to fill it in with an extra decorative thread.

 

 

 

 

 

 

Voor de tralie gebruik je #1 goud, een enkele draad en neem hiervoor naald nr. 9 of 10.
Het patroon wordt uitgezet met behulp van je driehoek. Als je goed naar de foto’s kijkt zie je dat het goud over de basis ligt in een hoek van 45° en de lijnen die het goud samen maken liggen in een hoek van  90° van elkaar. Leg je driehoek met de middenlijn op je basis en trek de eerste lijn met goud langs de zijkant. Leg dan de tweede lijn in 90° er op. De lijnen liggen 4 mm. uit elkaar. Vul het hele vlak.

For the lattice you use #1 gold, single thread and use needle nr. 9 or 10.
The pattern is made by using your triangle. If you look at the photos you’ll see that the gold is on a 45° angle to the foundation and the lines of gold are on a 90° angle. Place the triangle with hte middle line in the same direction as you foundation and put in your first gold line allong the side of the triangle. The second line will be on the 90° angle to the first one. The lines ar 4 mm apart. Fill in the entire space.

 

 

 

 

 

 

Nu moet de tralie vastgezet worden. Maak steekjes van 2 tot 3 mm met goud #1, in de richting van je basis over de kruisingen. Werk van rechts naar links en van boven naar beneden.

Now you have to secure the lattice. Make stitches of 2 to 3 mm with gold #1, in the direction of the foundation over the crossings. Work from right to left and from top to bottom.

 

 

 

 

 

 

Ik wens jullie weer heel veel plezier.

I wish you all a lot of fun.

Jessica

Op naar de volgende/ On to the next one.

Ik heb als tweede de Japanse esdoorn bladeren (maple leaves) geborduurd. Dit blad wordt altijd geborduurd in dezelfde volgorde. Je begint bij het grootste deel van het blad en je borduurt per onderdeel ook altijd eerst de onderzijde van de nerf (onder de regenboog). De techniek heet Separated Single Layer en wordt gebruikt voor motieven met een duidelijke nerf. Je borduurt met 3/1 T( naald 9) of 1,5 F (naald 8).

De second piece that I stitched are the maple leaves. This leave is always stitched in the same way. You start with the largest part of the leave and always stitch the concave side of the vein first. This technic is called Separated Single Layer and is used for motifs with a clear vein. You stitch with 3/1 T (needle 9) or 1,5 F (needle 8).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Begin in het midden van het blad en borduur de eerste steek net iets binnen de lijn ( one point inward), werk van binnen naar buiten. Borduur niet te dicht, maar de steken moeten wel de stof bedekken. Let op hoe schuin je steken liggen, naar boven toe liggen ze steeds meer in de richting van de nerf. De laatste steek in de punt komt net buiten de lijn (one point outward) Als de eerste helft  klaar is maak je een klein steekje om je draad vast te zetten en werk je verder van buiten naar binnen en vanaf de top van het blad weer naar het midden.

Start in the centre of the leave and stitch the first stitch just inside of the line (one point inward), work from the inside out. Don’t put the stitches too close together, but they have to cover your fabric. Mind the angle of your stitches, upwards they are more towards the vein. The last stitch in the tip is just outside of the line (one point outward). When the first half is done you secure your thread with a small stitch and you continue from the outside in and from the top towards the middle.

 

De volgende bladeren gaan net zo. Ook hier worden bladeren afgesneden door de lijn van het ontwerp. Daar komt later een afwerkdraad overheen. Net als bij de pruim heb ik zelf een lijn getrokken op 1 mm afstand van de geprinte lijn, maar dat is teveel. Ik raad aan om net binnen de geprinte lijn blijven. Van een lastig hoekje heb ik extra foto’s geplaatst met mijn oplossing.

The other leaves are stitched in the same manner. And again we see that parts of the leaves are cut of by the line of the design. We’ll put a decorative thread over it later. I stitched a line 1 mm from the printed line, but that was too much room. I recommend stitching just inside the printed line. I made extra photo’s of a difficult part of one of the leaves with my solution.

 

 

 

 

 

 

Omdat ik erg kritisch ben op mezelf wil ik toch een aantal opmerkingen maken bij mijn werk. Dit is mijn manier van leren en misschien hebben jullie er ook wat aan.
De blaadjes die zijn geborduurd met platte zijde zijn te vol en ik had een paar keer de laatste steek van een bladonderdeel weg kunnen laten.
Het laatste blaadje zou ook mooier kunnen, want ik heb zitten modderen met de lijn die ik niet zo netjes er even in heb gemaakt. Verder kwam ik niet goed uit bij het blaadje dat achter het lichtgroene blad verdwijnt. Maar goed, er moet altijd iets te verbeteren blijven of schuiven we het onder de noemer Wabi en Sabi.

Because I am very critical of myself, I want to make a number of comments about my work. This is my way of learning and maybe it will help you too.
The leaves stitched with flat silk are too full and I could have left out the last stitch of a leave-part a few times.
The last leave could also be nicer, because I muddled with the line that I did not put in very neatly. Furthermore, I did not get the angle of the stitches right of the part that disappears behind the green leave. Anyway, there is always something to improve or shall we call it Wabi and Sabi.

 

Ik wens jullie weer veel plezier en succes, Jessica


 

 

Ik kreeg de vraag of ik het Japanse knoopje uit kan leggen. Ik zal een poging wagen.

De stuifmeelkorrels worden uitgebeeld door middel van knoopjes. De draad is getwist in een S-twist (ondertwist op je linkerhand, meestal 2 draadjes in 1, in geel).  Hecht aan en kom boven.

Leg een lus in de draad door een ronddraaiende beweging te maken tegen de klok in, steek je naald onder de rechter kant van de lus, over de linker kant en dan in de stof, links van en vlakbij waar je boven bent gekomen.

Laat de naald absoluut niet los en houd de draad die uit de naald komt vast, er ontstaat een lus. Trek je naald door de stof, houd je vingers in de lus en houd de draden strak. Trek de knoop tegen de stof aan en trek de draad verder aan. Als je vingers er niet meer in kunnen pak je de tekobare om het laatste stukje te doen. Je ziet nu een mooi rond knoopje ontstaan.

Trek niet te hard aan. De knoopjes mogen losjes aan het eind van de meeldraden gelegd worden, eventueel kunnen er extra knoopjes gemaakt worden in je pruimenbloesem.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

How to make knots for your pollen.

Bring your needle up and make a loop by moving your thread counterclockwise. Pass your needle under the right side of the loop, over the left side of the loop and into the fabric, to the left of and very close to where your thread came up.

Don’t let go of your needle and hold on to the thread that goes through the eye of the needle, a loop will appear. Pull your needle through the fabric, keep your fingers in the loop and keep your thread taut. Pull the knot against the fabric and pull the thread through. If your fingers don’t fit in the knot anymore, take your tekobare. You’ll see a nice knot appear.

Don’t pull to hard, the knots can be place loosely at the end of each stamen. You can add some extra knots if you like in your plum blossom.

Het borduren kan beginnen. Het eerste stukje van het ontwerp dat ik heb geborduurd is de pruimenbloesem. Voor de basis heb ik 2/1 F genomen en naald nr. 8. Begin bij het bloemetje op de voorgrond met het grootste blad (het hoofd). De eerst steek komt in het midden van het blad. Werk vanuit het midden naar links en daarna naar rechts, dan hoef je niet met je hand over je eerder geborduurde vlakje heen. Bij de volgende blaadjes gaat het net zo.

The stitching can begin. The first part of the design that I stitched is the plum blossom. For the foundation I used 2/1 F and needle nr 8. Start with the foreground flower and with it’s “head”. This is the largest petal. Start with the first stitch in the middle of the petal and work to the left first and than to the right, so your hand doesn’t go over your embroidery. The other petals are done the same way.

 

 

 

 

 

 

Het volgende dat ik heb geborduurd is het knopje. Ook hier heb ik 2/1 F gebruikt en naald 8. Begin weer met een steek in het midden van de hele cirkel. Voor de richting van de andere blaadjes kun je de foto’s bekijken.

The next thing I stitched is the bud. I used 2/1 F and needle 8 again. Start with a stitch in the middle of the full cirkel. For the stitch direction of the other petals you can use the photo’s.

 

 

 

 

 

 

De meeldraden worden geborduurd met #1 goud, half hitch. Dat betekent dat je beide uiteinden van je gouddraad tegelijk in je naald nr 10 doet. Je haalt de naald door de lus die ontstaat en trekt voorzichtig aan. Nu kan je goud nergens meer heen. Je meeldraden hoeven bij een pruimenbloesem niet allemaal dezelfde lengte te hebben en je borduurt er 16 stuks. Begin weer in het grootste blad. Maak een +, daarna een x en borduur dan tussen alle meeldraden nog één. Kom uiteindelijk in het midden boven en zet de draden met 1 steekje vast terwijl je ze iets uit het midden naar beneden trekt.

The stamen are stitched with # gold half hitch. Put the ends of your gold together in your nr 10 needle and take your needle through the loop. Pull carefully and your needle will be secured. Your stamen do not have to be all the same length and you stitch 16 of them. Start in the largest petal again. Stitch a + and an x and than between all the stamen another one. Your needle comes up in the middle and you secure your stamen with 1 stitch, while pulling your stamen a bit out of the centre.

 

 

 

 

 

 

Het tweede bloemetje wordt afgesneden door de lijn van het ontwerp. Daar komt later een afwerkdraad overheen. Ik heb zelf een lijn getrokken op 1 mm afstand van de geprinte lijn, maar dat is teveel. Als ik het weer zou doen, zou ik net binnen de geprinte lijn blijven. Borduur verder net als het eerste bloemetje, te beginnen bij het grootste blad.

The second flower is cut of by the line of the design. We’ll put a decorative thread over it later. I stitched a line 1 mm from the printed line, but that was too much room. If I would stitch it again I would put my stitches just inside the printed line.Stitch this flower as you did the first one, start with the largest petal.

Toen ik de bloemen klaar had miste ik nog wat. Op mijn schets stond ook een tak, maar die is niet in de print gekomen. Geen probleem, met een beetje fantasie kun je dit er zo in borduren. Ik heb #1 goud enkel genomen (naald nr.9) en vastgezet met een licht groene draad 1/2 T ( couching naald).

After I had finished the flowers I thought something was missing. On my sketch I had a branch, but it did not make it on the print. No problem, with a bit of imagination you can stitch it yourself. I used #1 gold, single ( needle 9) and secured it with a light green, 1/2 T (couching needle)

 

Als laatste heb ik de stuifmeelkorrels gedaan, 2/1 S twist, een rond knoopje ( naald 9). Elke meeldraad krijgt een stuifmeelkorrel, maar ze hoeven niet precies in een rondje te liggen. En een korrel meer is ook niet erg. Ook de knop krijgt een paar stuifmeelkorrels.

The last thing I did was the pollen, 2/1 S twist, round knots ( needle 9). Every stamen gets pollen, but they do not have to be in an exact circle. And a bit more pollen is not a problem. The bud also gets some pollen.

Heel veel plezier. Vragen en opmerkingen kun je hieronder kwijt.

Have fun and enjoy. Questions and remarks can be written below.

 

Het patroon is klaar, de beschrijving wordt gemaakt en er is een box chart (werklijst). Maar eerst wil ik wat informatie geven over het gebruik van het kleine raam. Dit raampje is handig voor kleine ontwerpjes.

Het raam bestaat uit een binnenraam en een buitenraam. Het buitenraam is bekleed met katoenen stroken, hiermee kun je de spanning bepalen. Het binnenraam heeft een gat waar de klem in past om het raam op de tafel vast te zetten. Het buitenraam heeft rechts boven een gaatje voor je priem. Door het buitenraam over het binnenraam te duwen terwijl je ontwerp op het binnenraam ligt, span je het ontwerp op.

The design is ready, the description is being written and there is a boxchart. But first I like to give some information on the use of the small frame. This frame is very handy for small designs.

This frame consists of an inner frame and an outer frame. The outer frame is lined with strips of cotton, with these you can change the tension. The inner frame has a hole in which you can insert the clamp to fasten it on the table. The outer frame has a small hole on the right for your awl. By pushing the outer frame over the inner frame with your design in between you can frame your design.

 

 

 

 

 

 

Het opspannen gaat als volgt.

Leg je binnenraam op de tafel (let op het gat voor de klem) en leg je ontwerp er op. Plaats je buitenraam op het binnen raam (let op het gat voor je priem) en duw gelijkmatig het buitenraam om het binnenraam heen. Als je niet gelijkmatig duwt kan je patroon vervormen.

Framing up goes as follows:

Put your inner frame on the table ( check where the hole is) and place your design on top. Place your outer fram over the inner frame (mind where the hole for your awl is) and push the outer frame evenly over the inner frame. If you don’t push evenly your design can deform.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nu het werk is opgespannen heb je nog 1 ding nodig om te beginnen en dat is je werkschema. Die vind je hieronder in de foto.

Now that your works is framed up you need 1 more thing to get started and that is your boxchart. You’ll find it in the photo below.

Veel succes, Jessica